Thomas Hunt Morgan

Thomas kweekte de fruitvlieg vanaf 1908, het maakte hem beroemd

Thomas Hunt Morgan 1866-1945

De ‘herontdekking’, in 1900, van de erfelijkheidswetten, voor het eerst beschreven door Johann Gregor Mendel (1822-1884) gaf veel biologen het idee dat ze eindelijk een manier hadden gevonden om overerving te kunnen beschrijven en om Charles Darwins theorieën te onderbouwen. De Amerikaan Thomas Hunt Morgan, echter, .geloofde er aanvankelijk niet in.

Erfelijkheid en de cel

Na zich met de embryologie te hebben beziggehouden, besteedde Morgan het grootste deel van de periode tussen 1904 en 1928, toen hij professor in de zoölogie aan Columbia University was, aan het doordenken van erfelijke processen. Hij begon bij de wetten van Mendel – over erfelijkheid en voortplanting – en bekeek die kritisch. Hij twijfelde op zich niet aan de in de wetten omschreven stellingen; experimenten toonden vaak aan dat Mendels voorspellingen over erfelijkheid vaak uitkwamen. Morgan had het idee dat ze niet helemaal goed beschreven hoe het eindresultaat ontstond, vooral in de wet van onafhankelijke overerving. De Amerikaan dacht dit omdat los van Mendel was vastgesteld dat chromosomen – een soort lange draden in de kern van een cel, die groeien en zich splitsen tijdens een celdeling – duidelijk een belangrijke rol speelden bij erfelijkheid. Toch waren er minder chromosomen in levende dingen dan andere ‘eenheden die de erfelijkheid bepalen’ (in 1909 door de Deen Wilhelm Johannsen ‘genen’ genoemd ). Voor Morgan betekende dit dat groepen genen zich op één enkele chromosoom moesten bevinden. Dit zou betekenen dat Mendels wet van onafhankelijke overerving (die zei dat erfelijke overdracht van genen in alle mogelijke combinaties combinaties bij een aantal nakomelingen zou leiden, onafhankelijk van elkaar) niet juist was.

De fruitvlieg kweken

In 1908 begon Hunt zijn onderzoek, waarvoor hij fruitvliegjes kweekte, die maar vier paar chromosomen hebben. Dit onderzoek bezorgde hem grote roem. In het begin van zijn onderzoek observeerde hij een witogige mannelijke fruitvlieg, een mutant, die hij liet fokken met gewone roodogige vrouwtjes. In verschillende generaties na hem kwamen er steeds witogige nakomelingen voor, en alle bleken het mannetjes te zijn. Dit was precies het gegeven waar Morgan naar had gezocht. Het was duidelijk dat sommige genen niet onafhankelijk van elkaar voorkwamen, maar in groepen werden doorgegeven. Op dit punt aangekomen, realiseerde Morgan zich echter dat Mendels wet van onafhankelijke overerving niet hoefde te worden afgedaan, maar dat een kleine aanpassing voldoende was om hem in overeenstemming te brengen met het belang dat hij hechtte aan chromosomen en zo tot een allesomvattende stelling te komen. Hij stelde dat onafhankelijke overerving voorkwam, maar alleen bij genen op verschillende chromosomen. Voor die op dezelfde chromosomen werden gekoppelde eigenschappen doorgegeven, meestal aan seksegerelateerd en een specifiek kenmerk (bijvoorbeeld: het witte oog van de mannelijke fruitvlieg). Voor de rest aanvaardde Morgan de wetten van Mendel.

De chromosomenkaart

De resultaten hadden Morgan ervan overtuigd dat genen lineair geordend zijn op chromosomen en dat ze echt in kaart te brengen waren. Verder onderzoek wees uit dat de doorgave soms kon worden onderbroken tijdens de uitwisseling van genen tussen paren chromosomen tijdens de celdeling. Hij stelde dat hoe dichter de genen bij elkaar zaten op de chromosomen, hoe minder snel de verbinding wordt onderbroken. Door het meten van het aantal onderbrekingen kon hij zo de positie van de genen op de chromosomen bepalen. In 1911 kwam hij met de eerste chromosomen-kaart, waarop de plaatsing van vijf genen en hun invloed op geslachtskarakteristieken stonden aangegeven. Nog maar tien jaar later had Morgan, samen met andere onderzoekers, tweeduizend genen op de chromosomen van de fruitvlieg gelokaliseerd.

Overige wapenfeiten

Van Morgans vele boeken verdienen er twee de bijzondere aandacht: The mechanism of Mendelian heredity (1915) en The theory of the gene (1926). Daarin legde hij de basis voor een beter begrip van Mendels onderzoek en, samen met de resultaten die andere genetici boekten, bood hij het microscopisch-wetenschappelijk bewijsmateriaal voor de theorieën van Darwin. In 1933 kreeg Morgan de Nobelprijs voor biologie.

1908 Morgan begint zijn experimenten met fruitvliegjes. 1911 Hij maakt de eerste chromosomenkaart. 1915 Publiceert The mechanism of Mendelian heredity. 1926 Publiceert The theory of the gene. 1933 Krijgt de Nobelprijs voor biologie.

1933 Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde “Voor de ontdekking van de rol van chromosomen in erfelijkheid”