Jean Joseph Lenoir

Jean Joseph Lenoir

‘Als ik groot ben, ga ik machines uitvinden, machines die helemaal alleen werken’

Jean Joseph Lenoir 1822-1900

Het is nauwelijks te geloven dat de inwendige verbrandingsmotor, die tegenwoordig het hart vormt van elke auto, al in 1680 werd geschetst door de vermaarde Nederlandse wetenschapper Christiaan Huygens (1629-1695). In dat jaar maakte hij een ontwerp van zo’n motor, met buskruit om de zuigers aan te drijven. Het ontwerp werd echter nooit uitgevoerd en het zou nog ruim een eeuw duren voor iemand het idee oppakte. Dit was de Zwitser Frainois Isaac de Rivaz, die in 1807 een primitieve inwendige verbrandingsmotor construeerde, die werkte op zuurstof en waterstof. Hij bouwde ook een voertuig om de motor in te zetten. Het ontwerp had commercieel echter geen succes omdat het nogal onhandig was. Daarom wordt het ontwerp waarvoor de Belg Jean-Joseph Étienne Lenoir in 1860 octrooi kreeg, beschouwd als de eerste bruikbare inwendige verbrandingsmotor. Met deze motor begon de revolutie in de transportwereld.

Lenoir verbrandingsmotor

Al op jonge leeftijd werd Lenoir gefascineerd door mechanische apparaten. Toen hij pas twaalf jaar was zou hij hebben gezegd: ‘Als ik groot ben, ga ik machines uitvinden, machines die helemaal alleen werken: In het provinciestadje waar hij opgroeide, vond Lenoir weinig emplooi voor zijn talenten als uitvinder en daarom ging hij, op zestienjarige leeftijd, naar Parijs. Hij hield zich aanvankelijk bezig met elektriciteit, verbeterde het galvanisatieproces en bedacht elektrische apparaten voor de spoorwegindustrie. Maar Lenoir was vooral geïnteresseerd in motoren. Na jaren van ontwerpen en bouwen demonstreerde hij in 1859 zijn inwendige verbrandingsmotor met een ontsteking door een elektrische vonk. Het jaar daarop verkreeg hij er octrooi op. Vloeibare brandstoffen op basis van aardolie werden in die tijd nog niet gebruikt en daarom maakte zijn motor gebruik van een combinatie van niet-samengeperste lucht en kolengas om hem, in twee zuigerslagen, aan te drijven. Hoewel de methode volgens moderne maatstaven primitief was, had de motor commercieel succes. Lenoir bleef verbeteringen aanbrengen en in 1865 had hij zo’n 500 versies verkocht in en rond Parijs. Op dat moment had hij ook al de veelzijdigheid ervan bewezen: in 1861 was hij in een boot gebruikt en in 1863 in een driewielig voertuig.

Latere ontwikkelingen

De motoren van Lenoir zouden echter niet lang gebruikt worden. De Fransman Alphonse Beau de Rochas kreeg in 1862 octrooi voor de tegenwoordig veel meer gebruikte viertaktverbrandings-motor. Hij bouwde zijn motor overigens uiteindelijk niet en daarom werd de Duitser Niko-laus August Otto (1832-1891) veel bekender door zijn commercieel succesvolle viertaktmotor uit 1876. Deze maakte gebruik van de ‘Otto-cyclus’, Otto’s naam voor de serie acties die plaatsvonden bij elk van de vier slagen van de met een vliegwiel verbonden zuiger. Bij de eerste slag wordt de brandstof in de zuiger gezogen, bij de tweede slag wordt de brandstof samengeperst, bij de derde slag wordt de brandstof ontstoken door een elektrische vonk en bij de vierde slag wordt het verbrande gas naar buiten geperst. Bij de derde slag van de zuiger wordt de arbeid verricht die het proces onderhoudt en die gebruikt wordt om bijvoorbeeld een auto aan te drijven. Otto’s motor gebruikte een mengsel van gas en lucht als brandstof. Het zou nog tot de pioniersarbeid van Gottlieb Daimler (1834-1900) en anderen duren voordat aardolie als brandstof gebruikt kon worden, waardoor de grootschalige productie van auto’s en motorfietsen mogelijk werd. Daimler had overigens voor Otto gewerkt en een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van diens motor. Lenoirs motor had een vermogen van maar 2 pk en was daarom niet sterk genoeg om een voertuig van enige omvang aan te drijven; het kolengas-luchtmengsel had bovendien een efficiëntie van slechts 4 procent. Zijn motoren waren echter stevig van constructie en sommige modellen deden het nog uitstekend na twintig jaar onafgebroken aan het werk te zijn geweest.

Verdere wapenfeiten

Lenoir vond niet alleen zijn verbrandingsmotor uit, maar deed ook een aantal andere uitvindingen. Daartoe behoren een elektrische rem
voor treinen (1855), een motorboot die zijn motor gebruikte (1886) en een methode om leer te looien met ozon.

1807 De Rivaz bouwt een inwendige verbrandingsmotor die werkt op zuurstof en waterstof. 1859 Lenoir demonstreert zijn inwendige verbrandingsmotor. 1860 Verkrijgt octrooi voor zijn motor. 1863 Gebruikt zijn motor in een voertuig. 1876 Nikolaus August Otto brengt een betere viertaktmotor op de markt.

Author: Y Comak