HADES god van rijkdom

Hades werd de heerser van de onderwereld nadat de Titanen waren overwonnen, en hij stond vaak bekend als Plouton, heerser van edelstenen, metalen en de verborgen rijkdommen in de aarde.

Hades bezocht de bovenwereld alleen als hij werd overvallen door lust. Hij ontvoerde Persephone en viel later voor een nimf met de naam Minthe.

Hades was de god van de dood en het dodenrijk. Deze sombere duistere god was een zoon van de titanen Kronos en Rhea, en zoals zijn broers Zeus en Poseidon heersten over respectievelijk de hemel en de zeeën, zo heerste hij over de onderwereld, die zelf wel als ‘de Hades werd aangeduid. De Griekse onderwereld werd over het algemeen voorgesteld als een onderaards rijk (volgens sommigen lag de onderwereld echter in het uiterste westen, aan de rand van de wereld). De zielen van de overleden leidden er als lichaamloze schimmen een saai en troosteloos leven na de dood. Ze werden na hun overlijden door de boodschappergod Hermes, in zijn hoedanigheid van Hermes Psyschopompos (de zielenbegeleider) naar de onderwereld gebracht.

Vervolgens zette de grimmige veerman Charon hen in zijn gammele bootje over het zwarte water van de Styx, de belangrijkste rivier van de onderwereld. Charon verleende deze dienst alleen na betaling van een muntje, een obool. Doden die niet naar behoren waren begraven, met een obool tussen hun lippen, waren gedoemd rusteloos over de aarde te blijven zwerven, een weinig benijdenswaardig lot.

Na aankomst werden de doden geoordeeld door drie rechters: Minos en Rhadamanthys, twee voormalige koningen van Kreta, en Aeacus een voormalig koning van Aegina. De grote meerderheid van de doden vertoefde na deze berechting lichaamloos, bloedeloos, emotieloos en verstoken van menselijk bewustzijn op de grauwe affodillenweide. Na drinken van water uit de bron Lethe (vergetelheid) waren ze al hun herinneringen aan het aardse bestaan kwijtgeraakt. Hoewel het bestaan in de onderwereld geen kwelling was, was het erg saai, getuige de uitspraak van de held Achilles, die tegen Odysseus even op bezoek in de onderwereld, verklaarde liever ‘een dagloner op het veld van een arm meester dan koning van alle schimmen in het dodenrijk’ te zijn.

Voor een aantal doden gold een uitzonderingspositie: mensen die zich hadden onderscheiden door buitengewone deugdzaamheid of rechtvaardigheid mochten voortleven in een soort paradijs, het Elysium of de Elysische velden. Slechts zeer weinigen was dit vergund. Volgens de dichter Homerus mocht Menelaüs, de echtgenoot van Helena, er zijn dood verblijven. Bij de onderwereld hoorde ook een soort hel, de Tartarus, die zich in het diepste en donkerste gedeelte bevond. In deze afgrond waren de titanen opgesloten, alsmede enkele plegers van onuitsprekelijke misdaden: de reus Tityus, die Leto had aangerand. Tantalus, die eeuwige honger en dorst moest lijden terwijl allerlei lekkernijen steeds net buiten zijn bereik vielen. Sisyphus, die eeuwig een rotsblok een helling op moest rollen waarna het meteen weer terugrolde. Ixion, die op een eeuwig ronddraaiend rad was vastgebonden en de Danaïden, de vijftig dochters van koning Danaüs, die ertoe waren veroordeeld eeuwig een bodemloos vat met water te vullen omdat ze in de huwelijksnacht hun mannen hadden vermoord.

Uit Hades rijk was geen ontsnapping mogelijk. Wie toch trachtte te ontkomen viel ten prooi aan de verschrikkelijke driekoppige hond Cerberus. Slechts enkele stervelingen betraden tijdelijk de onderwereld, steeds met een buitengewone opdracht of bedoeling. Heracles moest er in het kader van zijn twaalf werken Cerberus vandaan halen en redde er volgens sommigen ook Alcestis. Orpheus kwam er zijn overleden geliefde Eurydice ophalen, Odyseus kwam er de ziener Tiresias raadplegen, Aeneas kwam er om met de schim van zijn vader te overleggen en Psyche moest er in opdracht van Aphrodite de schoonheidszalf van Hades’ gade Persephone bemachtigen. Theseus en Pirithoüs deden eens een poging om Persephone uit de onderwereld te halen, maar werden door Hades vastgezet in stoelen de vergetelheid.

Hades (zoon van Kronos, broer van Poseidon en Zeus, hoorn des overvloeds, rijkdom en god van de onderwereld)