ENERGIE is het vermogen om dingen te laten gebeuren

ENERGIE is overal

Energie is het vermogen om dingen te laten gebeuren en veranderingen te veroorzaken. Energie bestaat in allerlei vormen: geluid, licht, elektriciteit en chemische stoffen.

Bewegende voorwerpen hebben ook een bepaald soort energie, kinetische energie. Door gebruik te maken van energie en de wetten van de mechanica en beweging maken we van eenvoudige werktuigen als hefbomen en katrollen heel ingewikkelde machines.

Energie kun je niet zien. Je kunt het niet aanraken of vasthouden. Maar energie is overal. Energie is het vermogen om arbeid te verrichten, dingen te laten gebeuren en veranderingen te bewerkstelligen. Er bestaan allerlei vormen van energie. In een warme drank zit warmte energie. Een bliksemflits bij een onweer heeft zowel elektrische als lichtenergie. Het brullen van een leeuw is geluidsenergie. Een raceauto op de racebaan heeft bewegingsenergie, ofwel kinetische energie. Zelfs een boek op een plank bezit energie. Door het liggen en de werking van de zwaartekracht oefent het boek druk uit op de plank. Dat heet potentiële energie.

Vormen van energie

Chemische energie, besloten in atomen en moleculen. Kinetische energie, in bewegende voorwerpen.
Potentiële energie, door de plaats van een voorwerp.
Geluidsenergie, bij het trillen van atomen of voorwerpen.
Kernenergie, bij het fuseren of splitsen van atomen.
Elektrische energie, door bewegende elektronen.
Magnetische energie, door magnetische aantrekkingskracht. Elektromagnetische energie, in de vorm van allerlei soorten stralingen en golven, zoals radiogolven, microgolven, warmte, licht, röntgenstraling en gammastraling.

Energie kan niet gemaakt of vernietigd worden, ze kan alleen worden omgezet. Al iets beweegt of verandert, gaat energie in een andere vorm over. Een bal op een heuveltop bezit door zijn positie potentiële energie. Al hij naar beneden rolt wordt een klein deel van de potentiële energie omgezet in kinetische of bewegingsenergie. Bij brandend houtblok wordt chemische energie die in de moleculen ligt opgeslagen omgezet in licht en warmte energie en als het vuur knettert zelfs in geluidsenergie. Bij een klein voorval kan een reeks van energieomzettingen betrokken zijn.

Wist je dit?

Robert Hooke (1635-1703)) opperde dat licht wel eens uit energiegolven kon bestaan. Ruim tweehonderd jaar later werd dit idee algemeen aanvaard. Ook bestudeerde hij hoe een spiraalvormige veer een bepaalde vorm van energie (potentiële energie) opslaat als hij wordt uitgerekt. Hooke, een bekwaam technicus en microscoopbouwer, ontwierp talrijke instrumenten en apparaten waaronder microscopen en de kruiskoppeling die nu in auto’s en andere voertuigen gebruikt wordt.

Bewegingsenergie

Alles wat beweegt heeft kinetisch energie. Maar wil een stilstaand voorwerp bewegen, dan moet het eerst genoeg energie krijgen om zich in beweging te zetten. Hoe grote en zwaarder het is, des te meer energie het nodig heeft. Deze weerstand om te bewegen heet inertie. Als iets eenmaal in beweging is gebracht, probeert het in beweging te blijven. De weerstand om te stoppen heet impuls. Inertie en impuls komen voort uit hetzelfde principe: of een voorwerp nu stilstaat of in beweging is, het probeert deze toestand te laten voortduren. De impuls van draaiende wielen maakt dat ze een bijzondere eigenschap hebben. Hoe sneller ze draaien des te moeilijker ze heen en weer te slingeren zijn. Dit is het gyroscopisch effect; een wiel met deze eigenschap heet een gyroscoop.

Wist je dit?

Eind 19e eeuw dachten wetenschappers nog dat energiegolven net als golven in water gelijkmatig en continu waren. Maar in 1900 stelde Max Planck (1858-1947) dat energiegolven zoals licht en röntgenstraling uit kleine aparte pakketjes energie bestonden, quanten genaamd. Een energiegolf is dus te vergelijken met een golvende ketting die uit kleine maar afzonderlijke schakeltjes bestaat, en niet met een golvend stuk touw uit een stuk. Plancks kwantumtheorie was het begin voor allerlei andere ontdekkingen in dewetenschap.

Author: Y Comak