BEWEGINGSWETTEN van Isaac Newton

Krachten duwen, trekken, oefenen druk uit en brengen dingen in beweging.

Krachten hebben een bepaalde grootte of strekte, en ook richting. Als het object vrij kan bewegen, beweegt of versnelt het onder invloed van de kracht in dezelfde richting als de kracht. Als iets kan bewegen, bijvoorbeeld een nooit in een notenkraker, kan het door de kracht van vorm veranderen of zelfs uit elkaar vallen. Als een kracht tegen een oppervlak duwt, ontstaat er druk. Hoe groter de kracht en hoe kleiner het oppervlak, des te groter de druk. Als je tegen een voetbal schopt zal hij proberen in dezelfde richting en met dezelfde snelheid te blijven gaan. Twee krachten doen hem van snelheid en richting veranderen: luchtweerstand en zwaartekracht. Bij voetbal gelden dus de bewegingswetten.

Wet 1: Een object blijft in dezelfde richting en met dezelfde snelheid bewegen, tenzij er krachten op inwerken. Als je tegen een bal schopt, wordt deze door de kracht van de luchtweerstand en de zwaartekracht vertraagd en naar beneden gedrukt.

Wet 2: Naarmate de kracht die op een voorwerp werkt groter is, krijgt het object des te meer vaart. De versnelling van het object is dus evenredig met de kracht die erop inwerkt. Als je harder schopt, gaat de bal sneller.

Wet 3: Als een voorwerp een ander voorwerp raakt, krijt het tweede voorwerp een even grote kracht maar in tegengestelde richting. Bij iedere actie hoort een gelijke maar tegengestelde reactie. Als twee voetballen met dezelfde snelheid in precies tegengestelde richting elkaar raken, botsen ze tegen elkaar en rollen terug in de richting waar ze vandaan kwamen.

Wist je dit?

De briljante Engelse geleerde Isaac Newton (1642-1772) stelde de wetten van beweging en van de zwaartekracht op. Alles in ons universum, van atomen en zandkorreltjes tot de aarde, maan, sterren en hele melkwegstelsels, wordt door deze wetten beïnvloed. Ook ontwikkelde Newton een nieuw soort wiskunde, calculus genaamd.