Antonie van Leeuwenhoek

Antonie van Leeuwenhoek

Hij ontdekte protozoa wanneer zijn uitwerpselen ‘wast losser dan normaal’ waren

Antonie van Leeuwenhoek 1632-1723

Moet iemand zich volledig richten op de wetenschap, veel geld hebben en van aristocratische komaf zijn om revolutionaire ontdekkingen te doen? In de 17de eeuw meestal wel, toen het merendeel der wetenschappers tot de adel behoorde – en financieel onafhankelijk was, dus geen werk hoefde verrichten om aan geld te komen – of de financiële middelen kreeg van de adel om onderzoek te doen. Maar niet Antonie van Leeuwenhoek, een eenvoudige Nederlandse lakenhandelaar, die ondanks een geringe opleiding de wereld versteld zou doen staan.

Een hobby

Antonie van Leeuwenhoek was geboren in Delft en zou er altijd blijven wonen. Op 16-jarige leeftijd werd hij leerling-lakenhandelaar en rond 1654 opende hij zijn eigen zaak. In 1660 aanvaardde hij een beter betaalde positie bij het gerechtshof van Delft. Zo kreeg hij meer financiële middelen en bovendien meer vrije tijd om zich te wijden aan datgene wat hem onsterfelijk zou maken: Van Leeuwenhoek had een hartstocht voor microscopie ontwikkeld en besteedde vanaf 1660 al zijn vrije tijd aan de vervaardiging van lenzen met een sterkere vergroting dan er ooit waren gemaakt.

Door een lensje

Van Leeuwenhoek heeft zijn methode van lens-vervaardiging zijn hele lange leven geheimgehouden. Zijn beste lenzen, met korte brandpuntsafstand, konden een specimen tot 300 maal vergroten, maar men vermoedt dat hij nog een extra techniek gebruikte, misschien een soort verlichting, om de piepkleine ‘diertjes’ waar te nemen. Een belangrijke ontdekking was die van de protozoa, in feite eencellige planten, die hij in 1674 in water bespeurde. Later wetenschappelijk onderzoek heeft aan het licht gebracht dat protozoa te maken hebben met verschillende tropische ziekten, waaronder malaria en amoebedysenterie. In 1683 nam Van Leeuwenhoek, misschien nog belangrijker, voor het eerst bacteriën waar. Deze waren kleiner dan protozoa en zijn later in verband gebracht met ziekten als cholera en tetanus; ook zijn ze gebruikt voor de behandeling van die ziekten.

Voortplanting bij dieren

Tussen deze vondsten door ontdekte Van Leeuwenhoek de spermatozoa. Het verhaal gaat dat zijn tijdgenoot Stephen Hamm hem in 1677 een monster menselijk zaad gaf. Toen hij dit onderzocht, ontdekte hij de spermatozoa, die hij daarna ook vond in het zaad van kikkers, insecten en andere dieren. Hij verrichtte nauwgezette waarnemingen bij vlooien en mieren en toonde aan dat vlooien voortkwamen uit eitjes, net als andere insecten, en niet spontaan op de wereld kwamen. Ook toonde hij aan dat de eitjes en de poppen van mieren verschijningsvormen waren die in twee geheel verschillende stadia optraden. Hieruit concludeerde hij terecht dat de algemeen aanvaarde gedachte dat insecten en andere kleine organismen spontaan ontstonden (‘generatio spontanea’) niet klopte. Tot zijn andere belangrijke ontdekkingen behoort de waarneming van rode bloedcellen in 1684, een verdere ondersteuning van de constatering van Marcello Malpighi in 1660 dat er haarvaten bestonden, wat op zijn beurt weer zo belangrijk was geweest ter bekrachtiging van de gedachte van William Harvey dat het bloed van de slagaders werd overgebracht naar de aders. Van Leeuwenhoek verrichte nog verder onderzoek naar het leven der dieren, bijvoorbeeld van schelpdieren.

Taalbarrière

Van Leeuwenhoek noteerde vanwege zijn gebrekkige opleiding zijn bevindingen in het Nederlands, niet in het wetenschappelijke Latijn, en heeft weinig gepubliceerd. Wel begon hij in 1673 een briefwisseling met de Engelse Royal Society. De rest van zijn leven zou hij regelmatig schrijven naar de Royal Society over zijn jongste ontdekkingen. In totaal heeft de Society zo’n 375 (delen van) brieven vertaald en afgedrukt in haar uitgave Philosophical Transactions.

Verdere wapenfeiten

Door zijn brieven en later zijn verzamelde geschriften werd Van Leeuwenhoek wereldberoemd. Vele hooggeplaatsten kwamen voor hem naar Delft. Onder degenen die het eerst de Wieltjes’ wilden aanschouwen, waren Jacobus II van Engeland en Peter de Grote van Rusland. Toen Van Leeuwenhoek overleed, liet hij 247 complete microscopen na, waarvan er nog negen over zijn. Een van zijn microscopen had een resolutie van 2 micrometer. Na bestudering van zijn eigen uitwerpselen, merkte hij op dat er bij ‘normale dikte’ geen protozoa waren, maar als ze ‘wat losser dan normaal’ waren, waren er wel protozoa te zien.

Author: Y Comak