Antoine Henri Becquerel

Antoine Henri Becquerel

Bij onderzoek van röntgenstralen in 1896 ontdekte Becquerel bij toeval de radioactiviteit

Antoine Henri Becquerel 1852-1908

Wilhelm Conrad Röntgens ontdekking van X-stralen in 1895 leidde tot een vloedgolf van onderzoekingen om meer te weten te komen over de eigenschappen ervan. Een van de wetenschappers die door Wintgens ontdekking werden gestimuleerd was de Fransman Antoine-Henri Becquerel. Toen deze in 1896 onderzoek deed naar röntgenstraling, ontdekte hij bij toeval het verschijnsel van de radioactiviteit, waarmee hij een heel nieuw terrein van onderzoek openlegde.

De ingenieur

Op het moment dat Becquerel de ontdekking deed die hem beroemd zou maken, was hij al een gevestigd onderzoeker. Hij stamde uit een familie van natuurwetenschappers. Zijn grootvader en vader waren hoogleraar natuurkunde geweest aan het Parijse Muséum d’Histoire Naturelle, een post die Antoine-Henri ook zou bekleden. Overigens werd ook zijn eigen zoon Jean (1878-1953) er hoogleraar. Net als zijn vader en grootvader studeerde Antoine-Henri techniek en natuurwetenschappen aan de École Polytechnique in Parijs en aan de École des Ponts et Chaussées ede school voor bruggen en wegen’). Het is daarom geen verrassing dat Becquerel als hoofdingenieur bij het Franse ministerie van Bruggen en Wegen ging werken. Een groot deel van zijn loopbaan was hij bovendien wetenschappelijk actief en had hij universitaire aanstellingen. In 1895 werd hij hoogleraar natuurkunde aan de École Polytech-nique en in 1899 werd hij, alweer net als zijn vader en grootvader, vereerd met het lidmaatschap van de prestigieuze Académie des Sciences, als erkenning voor zijn wetenschappelijke prestaties. Becquerel had echter nog niet de baanbrekende ontdekking gedaan die hem zijn plaats in de geschiedenis der natuurwetenschappen zou geven. En hij had er vast geen idee van dat zijn onschuldige onderzoek naar röntgenstraling hem die plaats zou geven.

Een vruchtbare hypothese

De ontdekking van de Fransman begon met een hypothese. Becquerel geloofde dat de mogelijkheid bestond dat Riintgens X-stralen ook de oorzaak waren van het verschijnsel van fluorescentie, het nagloeien van sommige stoffen nadat ze aan zonlicht zijn blootgesteld. In dat geval moesten de stralen ook sporen nalaten op een afgedekte fotografische plaat, omdat ze, zoals Röntgen had laten zien, door de afdekking heen zouden gaan. Becquerel ging op deze basis experimenteren. Toevallig was uranium een van de ‘fluorescerende’ stoffen waarmee hij goed bekend was, omdat hij eerder al uraniumverbindingen had onderzocht. Het lag daarom voor de hand dat hij zo’n verbinding gebruikte bij zijn experimenten. En inderdaad kwamen er sporen op de fotografische plaat, nadat de verbinding blootgesteld was aan zonlicht. Maar pas nadat Becquerel de gebruikte apparatuur had opgeborgen deed hij zijn opzienbarende ontdekking. Toen hij een paar dagen later het toestel met de inmiddels niet meer fluorescerende uraniumverbinding weer tevoorschijn haalde, zag hij dat de verbinding ondanks de afwezigheid van zonlicht nog steeds voldoende straling uitzond om sporen achter te laten op de afgedekte fotografische plaat (die naast de uraniumverbinding was opgeslagen). Hij begreep dat dit niet het gevolg kon zijn van fluorescentie, maar dat het een nieuw verschijnsel was, dat onafhankelijk van beïnvloeding door zonlicht was opgetreden. Verder onderzoek wees het uranium aan als oorzaak van de ‘radioactiviteit’, de naam die aan het verschijnsel was gegeven door Marie Curie (1867-1934). In 1903 kreeg Becquerel samen met Marie Curie en haar echtgenoot Pierre Curie (1859-1906) de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn werk op het gebied van de radioactiviteit. De standaardeenheid van radioactiviteit, de becquerel, is naar de Fransman genoemd.

Verdere wapenfeiten

Het belang van Becquerels toevallige vondst werd niet direct begrepen en pas toen Marie en Pierre Curie zich in 1898 met radioactiviteit gingen bezighouden, werd duidelijk wat de mogelijkheden ervan waren. Eén mogelijkheid, die Becquerel zelf ook al had bedacht, was de toepassing van radioactieve materialen in de geneeskunde. In 1901 had hij namelijk een brandwond opgelopen als gevolg van een kleine hoeveelheid radium in zijn jaszak. Deze eigenschap vormt de basis voor radiotherapie, een gebruikelijke behandeling bij kanker.

1875 Becquerel begint onderzoek naar verschillende aspecten van
de optica. 1876 Gaat doceren aan de École Polytechnique in Parijs. 1888 Promoveert aan de École Polytechnique. 1896 Ontdekt de radioactiviteit. 1899 Verkozen tot lid van de Académie des Sciences. 1903 Krijgt de Nobelprijs voor natuurkunde, samen met Marie en Pierre Curie.

1903 Nobelprijs voor Natuurkunde “Voor hun onderzoek naar de stralingsfenomenen ontdekt door Henri Becquerel.”

Author: Y Comak